De overlieden van de Handboogdoelen, 1653

De overlieden van de Handboogdoelen lieten zich in 1653 portretteren als schatbewaarders temidden van het zilver van het oude Handboog- of Sint-Sebastiaansgilde. De namen van de overlieden zijn bekend en door vergelijking met andere portretten van deze personen kunnen zij alle vier met zekerheid worden geidentificeerd.

Met een grote pronkbokaal in zijn hand zit, uiterst links Frans Banning Cocq, die in ieder geval sinds 1648 overman van deze doelen was en die door Rembrandt in 1642 als kapitein op de Nachtwacht was geportretteerd. Banning Cocq was kolonel geweest, maar omdat hij in 1650 tot burgemeester werd gekozen, moest hij van deze functie afstand doen.
Hetzelfde gold voor Jan van de Poll, die tegelijkertijd met Banning Cocq kolonel van de burgerij was en in 1653 burgemeester werd. Van de Poll zit voor de tafel en heeft zich naar de beschouwer toegewend. In zijn hand houdt hij de oude koningsscepter en op de rugleuning van zijn stoel is een Sint Sebastiaan, de patroonheilige van de Handbooggilde, afgebeeld.
Achter de tafel zit de brouwer Albert Dircksz Pater die de oude schuttersketen met de papegaai in zijn handen houdt. Pater was sinds 1648 overman van de Handboogdoelen en zou  Van de Poll als kolonel opvolgen.
Uiterst rechts is de drukker Jan Willemsz Blaeu afgebeeld, zich met een spreekgebaar tot Banning Cocq richtend. Blaeu was sinds 1651 overman en de enige van dit gezelschap die noch kolonel, noch burgemeester was geweest of zou worden.
Tussen Banning Cocq en Van de Poll draagt de doelvrouw de drinkhoorn van het oude handbooggilde naar binnen. In de kast achter de overlieden staan twee zilveren tazza’s, twee dekselbokalen en een zilveren beker en hangen de wedstrijdlepels aan touwtjes. Door het tonen van het oude zilverbezit van de schutterij zullen de overlieden hun functie als beheerder hebben willen benadrukken en aan de betekenis van de oude schutterij hebben willen herinneren. Dat zij zich daar bewust van waren, getuigt hun opdracht om ‘alle de schilderijen doen tyckenen in een boeck, met de namen der schutters, haer qualiteyt en waepens’ zodat men altijd zou weten wie hier was voorgesteld.

Rechts zijn de deelnemers aan een schietwedstrijd afgebeeld. De jongens hebben pijl en boog en staan bij de hoge schuttersborden, die er voor moesten zorgen dat uit de koers geraakte pijlen binnen de schietbaan bleven. Jaarlijks werden schietwedstrijden door de overlieden georganiseerd en als protest tegen de plannen van de stad om de schietbanen te bebouwen, werden in de jaren 1648 en 1649 extra schietwedstrijden georganiseerd. Uit de kopieën en natekeningen naar dit schilderij, wordt duidelijk dat er oorspronkelijk drie jongens waren afgebeeld. Hun namen zijn op het bord dat tegen de tafel staat, geschreven. Het zijn de zoons van de overlieden Harmen van de Poll, Dirck Pater en Pieter Blaeu. Met hun aanwezigheid op dit schilderij zullen de vaders hebben willen verwijzen naar de aanspraak op een plaats in de vroedschap zoals die in het Amsterdamse stadspatriciaat van vader op zoon overging.

Uit de aantekeningen van Gerard Schaep, die in februari 1653 door de drie doelengebouwen liep en een lijst van de schilderijen maakte, weten we dat dit portret toen al was gepland. Het  moest boven de haard op de ‘groote sael’ komen te hangen, tussen een schuttersstuk van Pieter Isaacsz uit 1604 en een van Jan Tengnagel uit 1613.
Van der Helst heeft in ieder geval vantevoren geweten waar het schilderij zou worden opgehangen. Zo hield hij met zijn compositie rekening met de hoge plaatsing boven de haard door de overlieden vanuit een laag standpunt weer te geven. Verder wist hij dat het groepsportret links van een venster zou komen hangen, want hij liet ook het licht in het schilderij van rechts komen.

J. van Gent,  in: N. Middelkoop (red.), Kopstukken. Amsterdammers geportretteerd 1600-1800, Bussum 2002, p. 209-210

Advertenties